Sluiten

Les 16.3 Je naaste

OPDRACHTEN

Stellingen

  • Ik ben voor de mensen om mij heen een naaste
  • Ik houd niet van dat lievige gedoe
  • Ieder mens is zelf verantwoordelijk voor zijn leven
  • Als iemand een puinhoop van zijn leven maakt, hoef ik dat niet op te lossen
  • Naastenliefde is een way of life
  • Ook als je niet gelovig bent, kun je leven in naastenliefde
  • Naastenliefde telt pas echt, als je het voor God doet
  • Met een pannetje soep kun je de hemel verdienen
  • Anderen helpen is prima, maar geholpen worden…
  • Jezus leven is het grote voorbeeld voor naastenliefde
  • Over naastenliefde moet je niet praten, die moet je doen
  • Ook bidden kan naastenliefde zijn

Praktijk

Hoe kun je een naaste zijn voor…? Schrijf de volgende namen/begrippen op briefjes en leg die op de kop op tafel. Draai om beurten een om en vertel hoe je voor die persoon de naaste kunt zijn. Doe dat voor: grootouders, iemand van de jeugdgroep, een dakloze, de cassière, je ouders, de  ouderling, een zieke, iemand uit Afrika, een vluchteling, een eenzaam persoon. Vul eventueel aan met concrete namen uit eigen gemeente.
Bespreek vervolgens hoe Jezus een naaste was voor de mensen om hem heen. Wat leer je daarvan?

Bij de verdieping-tekst

Lees samen de tekst op pagina 84. Hoe kijken jullie aan tegen geld geven aan goede doelen? Welke doelen zijn voor jou de beste en aan welke zou je nooit geven? Bedenk een doel om volgende keer geld aan te geven en neem allemaal iets mee voor dat doel.

Onderzoek

Verdiep je in een aantal hulporganisaties. Verdeel de volgende instanties onderling, bekijk hun websites en noteer voor wie ze werken en op welke manier. Vertel dat elkaar en bespreek het. Aan wie zouden jullie een bijdrage geven? (Doe dat).
Zoek informatie over: Artsen zonder grenzen, Open Doors, Red een kind, Stichting de Brug, Verre Naasten, Het Leger des Heils.

Creatief

Een man vroeg Jezus: Wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen? Het antwoord lees je in Lucas 10. Maak een poster van het antwoord en zorg dat ook de vraag in je poster terugkomt.

Gebed

Inventariseer samen welke mensen het moeilijk hebben. Denk aan je gezin en familie, de eigen gemeente, maar ook aan de wereld (honger, oorlog enz.) Verdeel de onderwerpen onderling en bidt voor de mensen. Doe dat in de vorm van een kringgebed.

In de gemeente

Hoe diakonaal is je gemeente? Op welke manier helpen mensen elkaar? Vraag of een van de diakenen daarover kan vertellen. Of: Biedt aan dat jullie een zaterdag willen helpen en vraag wat jullie voor de gemeente kunnen doen.

In praktijk

Naastenliefde moet je doen. Bedenk samen praktische dingen voor anderen en doe die, alleen of in tweetallen. Bidt samen dat het goed mag gaan, vertel elkaar volgende keer je ervaringen en dank dan dat je het mocht doen. Voorbeelden: op bezoek bij een zieke of oudere, helpen in een gezin met jonge kinderen, wandelen met iemand die rolstoel gebonden is, een cake bakken en brengen aan iemand die alleen is.

HANDLEIDING

Over het lesonderwerp

In les 16.1 keek je naar jezelf, de vorige les naar je vrienden en nu kijk je nog wat verder, naar andere mensen om je heen, dichtbij en veraf. Het heeft met eeuwig leven te maken!

Bij de bijbelstudie

Het is niet bedoeld als bangmakerij of verplichting, maar deze tekst maakt wel heel duidelijk dat hoe je leeft gevolgen heeft voor je eeuwig leven. Jezus heeft alle zondeschuld weggedaan en Hij wil je nieuw maken. Dat kun je dan dus ook zien in praktijk.

Lesdoel

  • weten wie je naaste is en dat concreet kunnen maken
  • het voorbeeld van naastenliefde van Jezus kennen
  • voorbeelden kunnen geven van naastenliefde dichtbij en veraf
  • kunnen aangeven wat naastenliefde te maken heeft met je eeuwige toekomst
  • een actie rond naastenliefde afspreken en doen (geld of inzet)

De bespreking

Bespreek wie ‘de naaste’ is en laat zien dat Jezus dat heel ruim trekt. Hij stierf om de hele wereld te redden. Naastenliefde is geen liefhebberij, maar een gevolg van de vernieuwing die Jezus in je leven wil geven. Praat er niet alleen over, maar breng het ook in praktijk! Spreek iets af om te doen.

Bijbel

Bij de les kun je deze teksten gebruiken: Ex. 22:21-27; Mat. 9 : 9-13; Mat. 11 : 19; Mat. 25: 31-46; Luc. 10 : 25-37; Hebr. 13:1-3

 

Een beker water voor mijn naaste
zo eenvoudig kan geloven zijn.

BIJBELSTUDIE Matteüs 25: 31-46

Deze gelijkenis vertelt Jezus aan het eind van zijn leven. Hij geeft ermee aan hoe het zal gaan als Hij terugkomt naar de aarde.

31Jezus​ zei: ‘Als de ​Mensenzoon​ komt, zal het zo gaan: Hij komt met alle ​engelen​ uit de hemel. En hij zal als koning op zijn troon gaan zitten. 32Dan worden alle mensen van de wereld bij hem gebracht. Hij zal de mensen verdelen in twee groepen. Net zoals een ​herder​ zijn kudde verdeelt in schapen en bokken. 33De ​Mensenzoon​ zet de ene groep mensen aan zijn rechterkant en de andere groep mensen aan zijn linkerkant.

34Dan zal de ​Mensenzoon​ tegen de mensen aan zijn rechterkant zeggen: ‘Kom, de nieuwe wereld is voor jullie. Want mijn Vader heeft het echte geluk voor jullie bestemd. Dat was al de bedoeling vanaf de schepping.
35Want toen ik honger had, gaven jullie mij te eten. Toen ik dorst had, gaven jullie mij te drinken. Toen ik een ​vreemdeling​ was, namen jullie mij in huis.36Toen ik naakt was, gaven jullie mij ​kleren. Toen ik ​ziek​ was, zochten jullie mij op. Toen ik gevangen was, kwamen jullie naar mij toe.’
37Dan zullen die goede mensen zeggen: ‘Maar ​Heer, wanneer is dat gebeurd? Wanneer had u honger en gaven we u te eten? Wanneer had u dorst en gaven we u te drinken? 38Wanneer was u een ​vreemdeling​ en namen wij u in huis? Wanneer was u naakt en gaven we u ​kleren? 39Wanneer was u ​ziek​ of gevangen, en kwamen wij naar u toe?’

40Dan zal de ​Mensenzoon​ tegen hen zeggen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Elke keer dat jullie iets goeds deden voor één van de gelovigen die hier naast mij staan, deed je iets goeds voor mij.’
41Daarna zal de ​Mensenzoon​ tegen de mensen aan zijn linkerkant zeggen: ‘Jullie zullen worden gestraft. Ga weg, naar het eeuwige vuur dat bedoeld is voor de ​duivel​ en zijn dienaren. 42Want toen ik honger had, gaven jullie mij niet te eten. Toen ik dorst had, gaven jullie mij niet te drinken. 43Toen ik een ​vreemdeling​ was, namen jullie mij niet in huis. Toen ik naakt was, gaven jullie mij geen ​kleren. Toen ik ​ziek​ was en toen ik gevangen was, hebben jullie mij niet opgezocht.’
44Dan zullen ook die mensen zeggen: ‘Maar ​Heer, wanneer is dat gebeurd? Wanneer had u honger en gaven we u niet te eten? Wanneer had u dorst en gaven we u niet te drinken? Wanneer was u een ​vreemdeling​ en namen wij u niet in huis? Wanneer was u naakt en gaven we u geen ​kleren? Wanneer was u ​ziek​ of gevangen, en hebben wij niet voor u gezorgd?’
45Dan zal de ​Mensenzoon​ tegen hen zeggen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Elke keer dat jullie niets deden voor één van de gelovigen die hier naast mij staan, deed je niets voor mij.’
46Die mensen krijgen de eeuwige straf. Maar de goede mensen krijgen het eeuwige leven.’

  • Hoe noemt Jezus zichzelf en welke positie heeft Hij als hij terugkomt?
  • Wie verschijnen er voor hem?
  • Wat voor mensen zijn de ‘schapen’?
  • En wat voor mensen zijn de ‘bokken’?
  • Kan iemand ook een beetje schaap en een beetje bok zijn? Ergens tussenin?
  • Wat betekent het voor jou, dat je bij een van beide hoort?
  • Hebben de mensen invloed op de plek waar ze staan, namelijk of ze ‘schaap’ of ‘bok’ zijn?
  • Hoe zorg je dat je bij de schapen hoort?
  • Bedenk minstens vijf gewone, dagelijkse voorbeelden die passen bij jouw leven en die laten zien dat je ervoor kiest als ‘schaap’ te leven.
  • Wat heeft deze gelijkenis te maken met naastenliefde?