Sluiten

Les 14.5 Je keuze

OPDRACHTEN

Kiezen

De volgende zinnen zeggen iets over belijdenis doen. Kies er 1 of 2 uit die je aanspreken. Leg uit waarom je deze koos. Of bedenk zelf nog een andere uitspraak!

  • Iemand die belijdenis doet, maakt zelfstandig een bewuste keuze voor God
  • Omdat God voor jou koos, kun jij voor Hem kiezen
  • Doopleden geloven ook
  • Door belijdenis te doen aanvaard je de uitnodiging om op de bruiloft van het Lam te komen
  • Zonder kruis geen belijdenis
  • De hele heilsorde heeft alles met belijdenisdoen te maken
  • Er zit veel aan vast als je belijdenis doet, je moet echt overtuigd zijn
  • Je hoeft geen perfecte christen te zijn om belijdenis te doen
  • Na je belijdenis ben je nog meer aanspreekbaar op je doen en laten
  • In de kerk tellen alle leden mee, zowel de doopleden als de belijdende leden
  • Als je gelooft dat Jezus je redt van je zonden, mag je je belijdenis niet eindeloos uitstellen
  • Belijdenis doen is het antwoord op je doop

Bij de bijbel

Lees psalm 1. Welke twee keuzes worden daarin naast elkaar gezet? Noteer in twee kolommen trefwoorden die bij beide passen. Onderaan zet je waar de keuze op uitloopt. Tenslotte bespreek je samen of je voorbeelden kent bij beide keuzes. Luister bij deze opdracht naar het lied ‘Welzalig de man die niet wandelt’.

Bij de bijbel

Verdeel onder elkaar hoofdstukken uit Spreuken (kies tussen hfst 11 en 20). In het hoofdstuk dat jij kreeg ga je op zoek naar drie spreuken waarin de man die goed leeft met een slechte man of de rechtvaardige met de onrechtvaardige vergeleken wordt. Neem er 4 minuten voor en noteer de nummers van de verzen die je kiest. Daarna lees je elkaar de verzen voor.

Lied bespreken

Luister naar het lied ‘De keuzes die je maakt’ van Van Dik Hout en pak de songtekst erbij. Wat vind je van dit lied? Vind je dat de inhoud past bij deze les? Waarom wel/niet?

Reageren

Klik op het werkblad ‘Belijden – persoonlijke verhalen’. Je leest er over Sophie, Karel, Pieter, Gerald en Annette. Wat zou jij tegen hen willen zeggen?

In  het gezin

Vraag je ouders hoe zij tot de keuze kwamen om te geloven en hoe het verder ging. Was het voor hen ‘vanzelfsprekend’ of hoort er een heel verhaal bij? Hoe was hun belijdenisdienst?

Terugblik

Gebruik pagina 50 van je Tekstboek om terug te kijken op de afgelopen 10 lessen. Eerst besprak je negen woorden die samenvatten wat Gods plan met mensen is. Daarna sprak je over het feestmaal van geloven en tenslotte keek je naar jezelf. Waar sta jij? Van welke les leerde je het meest? Wat wil je in ieder geval onthouden? Bedenk waar jij de komende tijd voor jezelf aan wil werken en bespreek dat in je groep.

HANDLEIDING

Over het lesonderwerp

Blok 13 en 14 vormen een eenheid. Eerst besprak je met negen kerktaalwoorden Gods plan met mensen. Daarna praatte je over het feestmaal dat God viert met zijn volk en tenslotte kijk je terug en naar jezelf: Wat kies je?
De kinderen uit je groep zijn waarschijnlijk nog niet toe aan de keuze voor belijdenis doen. Tegelijk is het wel goed er al over te praten. Je leert tenslotte met een doel. Waar werk je heen? Kinderen kunnen best al lang een vast geloof in God hebben, ze zitten ook op de jeugdgroep om nog meer over Hem te leren, zodat ze nog beter weten waar ze ‘ja’ tegen zeggen.

Bij de bijbelstudie

Bespreek de radicale keuze die Jozua voorlegt en wijs erop dat het niet een keuze zonder voorgeschiedenis is. Wat was God al goed voor zijn volk geweest!

Lesdoel

  • weten wat belijdenis doen inhoudt
  • kunnen uitleggen met de bijbelstudie dat de keuze om voor God te leven radicaal is
  • weten dat God een God van liefde en redding is, zo mag je hem kennen
  • terug kunnen kijken op afgelopen lessen en eigen functioneren
  • plannen maken voor de inzet en aanpak voor het tweede deel van het boek

De bespreking

Wellicht staan jongeren heel verschillend in geloven. Geef ruimte aan iedereen en keur niets af. Bid voor wie twijfelt of nog niet weet wat te doen en dank voor allen die van harte God willen dienen en vraag om volharding. 

Bijbel

De volgende bijbelteksten kun je gebruiken: Mat. 10:32-33; Luc. 9:20; Hand. 8:37; Rom. 10:9; 1 Tim. 6:12

 

Vrij om te kiezen:
A: jezelf redden met alles tot en met het einde van je leven

B: je vertrouwen stellen op andere mensen

C: geloven dat Jezus het goed maakt tussen God en jou, en je eeuwig leven belooft

 

BIJBELSTUDIE Jozua 24: 1 – 5 en 13 – 18

Het volk Israël heeft na een lange reis door de woestijn en na gevechten het land Kanaän van God gekregen. Jozua is bij de verovering hun leider geweest. Nu Jozua oud wordt, roept hij nog eenmaal het volk bij elkaar. Lees Joz. 24:1-5

1Jozua​ riep alle stammen van Israël bij elkaar in Sichem. Hij liet de ​leiders​ van het volk, de ​leiders​ van de stammen en alle rechters naar voren komen bij de ​heilige​ kist​ van de Heer.
2Toen zei ​Jozua​ tegen het hele volk: ‘Dit moet ik zeggen van de Heer, de God van Israël: Jullie voorouders Terach, ​Abraham​ en Nachor woonden lang geleden ten oosten van de rivier de ​Eufraat. Zij vereerden toen ​andere ​goden. 3Maar de Heer haalde jullie voorvader ​Abraham​ daar weg, en liet hem door heel Kanaän rondtrekken. De Heer gaf hem veel nakomelingen.
De zoon van ​Abraham​ heette ​Isaak. 4Isaak​ was de vader van ​Jakob​ en ​Esau. Aan ​Esau​ gaf de Heer de Seïr-bergen om in te wonen. Maar ​Jakob​ en zijn zonen gingen naar Egypte.
5Later stuurde de Heer ​Mozes​ en Aäron naar Egypte. Hij strafte de Egyptenaren met zware straffen, en hij haalde jullie voorouders daar weg.

Jozua vat de hele geschiedenis van het volk samen en gaat dan verder, vers 13-18:
13De Heer gaf jullie een land, en daar hoefden jullie zelf niets voor te doen. Jullie wonen nu in steden die jullie niet zelf hoefden te bouwen. Jullie hebben nu prachtige wijngaarden en olijftuinen, die jullie niet zelf hoefden aan te leggen.
14Heb daarom ​eerbied​ voor de Heer. Dien alleen hem, wees alleen trouw aan hem. Doe alle ​goden​ weg die jullie voorouders nog vereerden ten oosten van de rivier de ​Eufraat​ en in Egypte. Dien alleen de Heer. 15Als jullie dat niet willen, kies dan welke ​goden​ jullie wel willen dienen: de ​goden​ van jullie voorouders of de ​goden​ van de Amorieten. Mijn ​familie​ en ik zullen in ieder geval de Heer dienen!’
16Toen zeiden de Israëlieten: ‘Wij beloven plechtig dat we de Heer altijd zullen dienen. We zullen geen ​andere ​goden​ vereren. 17Want de Heer is onze God. Hij heeft ons en onze voorouders bevrijd uit de slavernij in Egypte. Hij heeft grote wonderen voor ons gedaan. Dat hebben we zelf gezien. Tijdens onze ​reis​ door de woestijn heeft hij ons altijd beschermd tegen andere volken. 18Hij heeft ze allemaal voor ons verjaagd. Ook de Amorieten die vroeger hier woonden. Natuurlijk zullen we de Heer dienen! Want hij is onze God.’

  • Herken je in dit bijbelgedeelte de negen stappen van het plan van God, van de heilsorde? Zoek het zonodig op in les 14.3 en ga alle negen begrippen langs.
  • Jozua gebruikt de geschiedenis om te laten zien hoe goed God voor zijn volk zorgt. Hij is het waard om Hem te volgen. Waaruit blijkt dat?
  • Zie je dat terug in het antwoord van het volk? Hoe?
  • Wat is de keuze die Jozua het volk voorlegt? Waarom is die keuze zo radicaal?
  • Denk je dat mensen nu nog steeds zo radicaal moeten kiezen? Hoe dan?
  • Welk antwoord zou jij gegeven hebben als je erbij was geweest?